zondag 2 oktober 2011

afscheid van een vriend (en het zoveelste einde van mijn trip)


Ik heb al vaker over hem geschreven: de alleraardigste jongeman die ik ontmoette op de nachtbus van Skopje naar Tirana. In Tirana deelde we een stapelbed en in Shkodra mochten we geen kamer delen. We waren echter niet getrouwd en ik was een meisje. Uren hebben we straten afgezocht naar de kleinste lokale restaurantjes. Gediscussieerd over hoe belachelijk het wel niet gesteld is met de wereld. Rakia en bier gedronken. IJsjes gegeten.

Terwijl ik naar Nederland om me -helaas noodzakelijk- terug te gooien in de sleur van het dagelijkse leven, ging mijn vriend Takuya gewoon door met reizen. Toen ik, eind juni, de bus vanuit Shkodra in Albanië naar Montenegro (en een heleboel nieuwe avonturen) pakte, liet ik hem achter op het busstation, met de helft van de Byrek die we als ontbijt gedeeld hadden. Hij had grootse plannen; hij zou gaan werken in de Champagnestreek. Ik heb nog geprobeerd hem over te halen toch echt eens in Nederland op bezoek te komen, maar zijn gedachten bleven in de wijngaarden (of champagnegaarden, als je die ook hebt) van Frankrijk hangen.

Als je alleen aan het reizen bent door Europa, kom je veel mensen tegen. Sommige liggen je natuurlijk beter dan andere. Ik gok dat het een combinatie van hetzelfde reisplan en dezelfde mindset waren die ons zo dicht bij elkaar brachten, ik raakte binnen drie dagen toch redelijk op hem gesteld. Het treurige moment waarop we, twee weken na onze eerste kennismaking, afscheid namen viel me dan ook zwaar. Ik had me er stiekem al op ingesteld dat ik hem waarschijnlijk nooit meer zou zien, zoals veel van mijn 'reisvrienden'.

Terwijl ik mijn reis afmaakte en met tegenzin weer richting het westen vertrok, kwam hij blijkbaar tot de ontdekking dat er toch niet zoveel werk was in Frankrijk. Wat we ons in onze wildste verwachtingen niet eens konden indenken, bleek het geval: we bevonden ons beide in België. Hij kwam voor twee dagen naar Brussel. Hij bleef uiteindelijk drie maanden (hij vertrekt woensdag, twee dagen voor hij in de problemen zou komen door visumzaken), voornamelijk in dienst van een vrijwilligersorganisatie (Serve the City). Toen ik me kwam inschrijven voor de universiteit van Leuven, gingen we uit eten. Het is fijn dat ik nog een paar keer met hem kon afspreken, het is ontzettend jammer dat je de vele mensen die je on-the-road ontmoet vaak niet meer ziet. Zes maanden is hij rond de wereld getrokken. Hij heeft Chai geproefd in Bangladesh, vrijwilligerswerk gedaan in Afrika, gewerkt voor een activistische organisatie in Palestina en met mij ijsjes gegeten in Albanië.

Gister was ik op zijn afscheidsfeestje. Ik keek er een beetje tegen op, omdat hij het enige was wat me nog met mijn trip van de zomer verbond. Zo lang hij nog op reis was, was ik toch min of meer ook nog op weg want we hebben ook samen gereisd. Een redenatie die nergens op slaat, maar zijn vertrek uit Europa lijkt wel een beetje datgene te zijn wat ook míjn reis afsluit. Nu is het echt over. Terwijl ik richting het (chique) hotel liep waar iedereen verwacht werd, voelde ik me steeds ongemakkelijker. Ik had er écht geen zin in. Natuurlijk was dit vrijwel meteen weer weg – het is heerlijk om te kunnen praten met iemand die overal een beetje hetzelfde over denkt.

Als ik de laatste trein terug naar Leuven, mijn nieuwe voorlopige thuis, pak, volgt het standaard afscheid. Goh, veel succes in Japan met de rest van je master. Ja, kom me snel eens opzoeken. Natuurlijk zeg ik dat ik de eerste gelegenheid om naar Tokio te gaan aangrijp – maar ik weet dat dit de komende vier jaar waarschijnlijk niet zal zijn. Ik kan alleen maar hopen dat we een beetje hetzelfde in elkaar zitten en hij als de wiedeweerga terug komt naar Europa (na de master, natuurlijk). Tot die tijd is het een definitief afscheid met een kleine kans op wederzien. Ik omhels hem nog een laatste keer en schuifel de trein in. Terug naar mijn nieuwe vrienden in Leuven, maar het is toch niet hetzelfde.

maandag 19 september 2011

je suis arrivé! oder?


Nadat ik terugkwam ben ik vrijwel meteen naar Groningen vertrokken naar mijn werk. Een aanbod dat me geweldig in de oren klonk, aangezien ik mijn tijd in Amsterdam al had “afgesloten”. Als ik er nu weer twee maanden in de sleur van werken en slapen zou vervallen dan gooide dat mijn hele mentale schema in de war! Bovendien was ik nog nooit in Groningen geweest. Des te meer redenen om ook binnen eigen land eens wat lokale cultuur te gaan bekijken.

Anderhalve maand lang heb ik gezwoegd en vele barista's in spé de kunsten van het vak te leren, maar ik was blij toen het ten einde was. Dat betekende dat het bijna tijd was voor Leuven! Er restte me nog een week in mijn eigen stad, Amsterdam. Er zouden Kroatische vrienden op bezoek komen (waar ik ook in Zagreb ben geweest). De Kroaten verrichtte goed werk: er waren twee flessen rakia present, die er in het bonte gezelschap in één avond doorheen gingen. Het was een beetje als vakantie in eigen land: even nergens aan denken, alleen plezier maken. Twee dagen nadat Dino en consorten in de auto terug stapten naar Kroatië, stapte ik met Nils in een trein naar Leuven.

De goden zaten me echter tegen. Om Nils te gemoed te komen vroeg ik naar zijn voorkeur: om zeven of negen uur richting Leuven. Nils is niet zo'n ochtendmens, dus negen uur it is. Dan zouden we er kwart over twaalf zijn: een prima tijdstip. 's Ochtends kom ik tot de ontdekking dat ik daar -vanwege de spits- niet in mag met de fiets. Een uurtje later dan maar.

Als ik helemaal klaar sta om te vertrekken lopen mijn moeder en ik nog even alle details na. De reisplanner van de NS is érg up-to-date (en daarmee is dan ook het enige goede van de dag gezegd). Want: de trein van tien uur viel uit. De moed zonk me in de schoenen en semi-depressief ga ik op de bank liggen. Ik vraag me af of ik ooit nog in Leuven zal geraken.

Elf uur hebben Nils en ik dan eindelijk de trein naar België. We gaan met ongekende snelheden door het land. Tot Rotterdam welteverstaan. Er heeft een aanrijding met een persoon plaatsgevonden (dus: iemand is voor de trein gesprongen) en we kunnen weer terug. Via Utrecht en Maastricht naar België. Drie uur na het actuele beginpunt (en zes uur na het geplande) van de reis bevinden we ons in Utrecht. Een half uurtje van huis. We vervolgen verslagen onze reis en komen na meer dan zes uur aan in Leuven. Hoewel dit een doldwaze dag gevuld met city sightseeing, IKEA en Stella (Artois) had moeten worden, eten we wat op een terrasje en gaan terug naar mijn kot.

Toen ik aankwam bij de kotbaas, keek hij verschrikt, “Oh, sjuust, kot 9, volgens mij is dat nog bewoond”. Nu word ik echt link. Je hebt pechdagen, maar er zit verdorie toch een limiet aan. Ik leg uit dat ik gemaild had en dat het oké was om vandaag mijn kot te betrekken. De kotbaas lost het goed op: het meiske wat er nog zat, werd voor de nacht naar een ander kot verbannen. Mij liet ze achter in klein-Napels: overal vuil. Terwijl Nils in een luie doch smoezelige stoel kroop, begon ik driftig te vegen en te boenen. Dit moest namelijk mijn paleis en thuis worden, en snel! Nu heb ik redelijk mazzel, want ik heb een optimistische houding die moeilijk neer te krijgen is. Er was potentiëel.

De dag erna was het meeste schoon en ging Nils weer op huis aan. Voor mij begonnen de introdagen voor internationale studenten. Terwijl ik me richting de aangegeven plek voort begeef op mijn flashy, semi-nationalistische postcodeloterijfiets (“jongens, kijk uit, Nederlander coming trough!”), lijkt het te laat. Iedereen staat druk in groepjes te kletsen. Wácht eens even. Was dit niet voor nieuwe studenten? Waarom kent iedereen elkaar al? Wat heb ik gemist? Later raak ik aan de praat met een groep Schotten die elkaar al kenden van hun thuisuniversiteit. Ah. Gelukkig werd ik snel opgenomen en was ook ik voorzien: jolige, katerige Schotten. Een kroegentocht in de avond later ben ik voorzien van nog meer nieuwe vrienden uit alle uithoeken van de wereld. Misschien was dit zo'n gek idee nog niet.

De volgende dag wordt een korte voor mij: veel Nederlandse les en 'cultuur'. Ik twijfel, zal ik voor het groepsgevoel toch gaan, of gewoon lekker iets anders gaan doen? Tijdens de 'lezing' over Leuvense verkeersregels raak ik aan de praat met wat Nederlanders. We verkiezen een lange lunch en een zoektocht naar de Lidl (boodschappen zijn hier abnormaal duur – helemaal in het centrum) boven Nederlandse les. 's Avonds volgt een filmavond en dan zitten voor mij de introdagen er alweer op.

Die maandag erop (gister) begon ik aan mijn crash course wiskunde. Kan ik meteen eens kijken wat ik gemist heb door niet naar het introkamp van 'Ekonomika' te gaan, de economische studentenvereniging (Het verschil tussen studie- en studentenverenigingen kennen ze hier niet, Ekonomika is wél verwant aan de Uni). Het blijkt veelal achttien. Ik raak aan de praat met een meisje en later een groepje, maar voel toch een enorm verschil. Misschien trekt het bij, misschien ben ik wel gewoon érg volwassen voor mijn twintig jaar. Ik besluit me iets passiever in te stellen als gepland en in plaats van druk socializen met de nieuwe economiestudenten stuur ik een sms'je naar de schot: drankjes, snel? En spreek ik af met een andere Nederlandse naar de 'International Party' van aankomende donderdag te gaan, in plaats van met de economievereniging. Schandalig hoe ik zelfs hier –in dit internationale milieu- alsnog de Nederlanders eruit weet te pikken. Maar daar komt vast snel verandering in, als de colleges écht van start gaan (en ik er eindelijk uit ben hoe ik me kan inschrijven voor vakken).

vrijdag 8 juli 2011

bijslapen

Budapest was weer prachtig. We waren er maar een dag, dus we hadden een strakke planning van dingen die we er altijd deden: een spa, onze favoriete kringloopwinkel, sale in de H&M, eten in ons lieveling srestaurant, làngos en Morrisson's. De dag was dan ook zo om. De dag erna waren we van plan de trein van één uur te nemen: zeven uur zouden we dan in Novi Sad aankomen. Het was de trein naar Griekenland, en NSHispeed gaf aan dat we deze vanaf een station moesten nemen waar we beide nog niet van hadden gehoord. Vol vertrouwen stapten we in de taxi. Eenmaal daar aangekomen, was het een station vergelijkbaar tot het Nederlandse Koog-Zaandijk: bedroevend dus. Er konden geen internationale kaartjes gekocht worden. Dit wisten we ook pas na een lang handen-en-voetengesprek met de dame aan de kassa. Ze brabbelde alleen wat en riep zo nu en dan “ONLY HUNGARISCH!”. De trein hadden we al gemist, dus we gingen maar weer naar het internationale treinstation om daar te kijken hoe de stand van zaken ervoor stond.

Bij de internationale kassa was de trein die we van plan waren te nemen doorgekrast. Toen schoot het me te binnen: Griekenland heeft vanwege de crisis alle internationale treinen opgeven. Hij reed dus niet eens. We trokken een nummertje voor de tourist information op het Keleti treinstation om even te vragen of er ook bussen gaan, en zo ja, hoe laat. Want de eerstvolgende trein was de nachttrein van half twaalf. Na veel gewacht kon de mevrouw ons vertellen dat ze niks wist over bussen en dit alleen trein informatie was. Waarom er dan verschillende loketten waren voor international information, routeplanning en kaartjes kopen is me een raadsel. Maar het is wel weer een mooi voorbeeld van hoe men dit hier doet: zoveel mogelijk banen creëren door alles tot n de irritatie te verdelen over verschillende medewerkers. En die corresponderen onderling natuurlijk niet.

We trekken maar weer een kaartje voor het loket waar je tickets kan kopen. Na nog een ruime drie kwartier wachten (we zaten inmiddels al ruim een uur voor verschillende loketten te wachten) waren we aan de beurt. Ik besloot eens goed gebruik te maken van deze mevrouw en vroeg haar wat het prijsverschil was voor een bed en een stoel in de nachttrein. “Daar kan ik snel antwoord op geven: de trein is uitverkocht. Ik kan je geen reserveringen meer verkopen”. Oh. De moed zonk me in de schoenen. Ze vertelde dat we wel mee konden, maar alleen op de bonnefooi. We verdeden de uren die we in Budapest hadden (veel koffiedrinken, ruim uit eten gaan en een beetje door de stad wandelen) en gingen naar het station, waar het zwart zag van de festivalgangers. Ik hield mijn hart vast.

Achteraf viel het best mee: ze wisten wel hoe laat het was, en hadden een extra rijtuig ingezet waar niet voor gereserveerd kon worden. We konden dus gewoon in een stoel zitten. Uitgeput val ik in slaap, om vlak voor de grens weer wakker te worden. Ik liet mijn paspoort zien en deed mijn ogen weer even dicht in afwachting tot de Servische controle. Deze is een stuk strenger, want je gaat de EU uit. Ik heb hem echter gemist, blijkbaar ben ik in comaslaap gevallen. Terwijl ik eerst aangetikt werd door een Servische douanebeambte om wakker te worden, heeft Marlous me nog een aantal keer aangetikt en geprobeerd wakker te krijgen. Ik was echter weg en werd pas veel later weer wakker met een extra stempel in mijn paspoort: Marlous heeft het maar even voor me afgehandeld.

Eenmaal aangekomen in Novi Sad duiken we ons bed in en slapen we tot een uur of één en gaan daarna op zoek naar ontbijt, douchen en 's avonds naar het festival. Het was voor mij meteen de beste dag: de drie bands die ik het liefst wilde zien stonden allemaal vandaag. Na Bad Religion en Arcade Fire is het om kwart voor twee tijd voor Beirut. We staan naast een stel vervelende Engelsen. Elke poging tot een gesprek probeer ik in de kiem te smoren. “Goh, vind je Beirut leuk?” “Nee. Absoluut niet. Vervelende kerel.” Verward kijkt hij me aan. Waarom ik dan toch in godsnaam hier was. Het laatste van de dag was iets in Marlous' straatje: Deadmau5. Elektro van half vier tot vijf. Het grootste nadeel van exit is stiekem ook het allergrootste voordeel: het begint pas in de avond. De Servische hitte die ik niet zo goed trek (36 graden) is mooi te omzeilen. Want als ik om zes uur mijn bed in rol, kom ik er niet vroeg uit.

Dit heb ik vandaag maar weer gemerkt. Om half vier 's middags werd ik bruut wakker geschud door Marlous. Ze vond het wel weer mooi geweest, het was tijd voor mij om wakker te worden. Misschien had ze wel een punt. Terwijl we weer op zoek gaan naar ontbijt eten mensen om ons heen alleen maar pizza. Ik ben voorlopig nog niet wakker en bereid me voor op nog een aantal dagen nachtbraken.

maandag 4 juli 2011

so sad, oftewel: zagreb

Inmiddels zitten we alweer in de bus naar Zagreb. Om Sarajevo nog wat beter te zien, hebben we een 'free tour' gedaan. Het concept is vast bekend: de prijs van de tour bepaal je zelf. Natuurlijk is dit ideaal voor reizigers op budget, enig minpuntje is dat het meestal een beetje flauw wordt: aan de lopende band worden er standaard grapjes gemaakt. De reisgids moet zichzelf natuurlijk verkopen! Onze reisgids had dat concept nog niet helemaal begrepen. Op zich wel verfrissend. Twee uur lang kregen we voor onze kiezen hoe het allemaal zat: Sarajevo is de meest tolerante stad op aarde (zoals elke zichzelf respecterende stad zichzelf noemt) en Serven zijn fascisten. Goed om te weten.

We banjerden door Sarajevo: het centrum is klein dus geen deel blijft verborgen. Ook de moskee gingen we in. Hoewel ik heel degelijk was gekleed, kreeg ik toch het vriendelijke verzoek mijn jas dicht te ritsen, terwijl de dame voor mij in hotpants wel gewoon door mocht lopen. Mooi is dat! Een belevenis was het wel, ik was namelijk nog nooit binnen in een moskee geweest. Toen we het daadwerkelijke gebouw betraden, moest ook het haar bedekt worden. Marlous had een foeilelijke lila-witte sjaal op haar hoofd, en ik een zwart doek. Als ware pro's binden we ze om.

Hoewel ik niet gelovig ben, vind ik het toch altijd prachtig. Het kan mij niet te gek: orthodoxe Kathedralen, synagogen, moskees, ik vind het allemaal prachtig. Onze leider laat het ons allemaal zien. Hier en daar ontstaat wat stress, want door zijn top-tot-teen kaki outfit raken we hem nog wel eens kwijt tegen de zandkleurige achtergrond die het oude centrum van Sarajevo heet. Maar hij weet ons min of meer allemaal in het gareel te houden.

Later is het weer tijd voor eten en drankjes. Écht lang houden we het niet vol, het was best een vermoeiende dag. Rond half één kruipen we ons bed zo stilletjes mogelijk in, er slaapt namelijk al iemand. Degene die na ons binnenkomen denken er echter anders over: om half twee gaat het licht aan en moeten er nog twee tassen volledig uit- en weer ingepakt worden. Chagrijnig draai ik rondjes in mijn bed. Mensen die zich niet kunnen aanpassen, moeten lekker een kamer voor zichzelf alleen nemen. Ik krijg een beetje last van opgekropte frustraties, en een avond later moet een Duits meisje het ook ontgelden. Terwijl wij om een uur of twaalf weer ons bed in gingen, in verband met de vroege bus de dag erna, moest wéér om half twee het licht aan omdat er een toilettas gezocht moest worden. Bits bijt ik vanuit mijn bed: mag dat licht nou álsjeblieft úit? Het is bijna twee uur! Ik nam mezelf voor de volgende ochtend om half acht heel luid mijn tas in te gaan pakken.

*****

Als we aankomen in Zagreb is het een emotioneel wederzien. Met zowel Dino en de stad. We worden in de auto gezet en naar zijn vakantiehuisje gereden: zijn appartement is namelijk niet zo groot. Zijn ouders zijn wel -voor Kroatische begrippen- welvarend, dus er zijn twee (!) vakantiehuisjes. Ééntje net buiten Zagreb op een berg, eentje aan de kust. Aangezien zijn vader politicus was, bevind het vakantiehuisje zich op de zogenoemde 'government hill': de berg met het mooiste uitzicht van Zagreb. Zo mooi dat er niet gebouwd mag worden. Maar voor prominente politici wordt natuurlijk een uitzondering gemaakt! Mij hoor je daar niet over klagen. Het is een pittoreske vakantie villa met uitzicht over de hele stad, en helemaal voor Marlous en mij! Nadat we een tijdje sprakeloos hebben staan uitkijken over de stad, is het tijd voor eten.

Dino neemt ons mee naar de campus: er zal vandaag gegeten worden in de menza. Er gaat een wereld voor me open, ik ken dit helemaal niet van Amsterdam. Het is een complete woonwijk met alleen maar studenten, winkels voor studenten en dus een hele grote eetzaal. We gaan in de rij staan voor de gaarkeuken en ik waan me in communistisch Zagreb. Borden worden volgeladen: meer dan eens zie ik mensen met twee complete maaltijden. Ik waag me aan het enige vegetarische menu (een dubieus gefrituurde kaasburger met erwtjes) en een zielig bordje sla. En wat yoghurtdrank. Het desert bevind zich één verdieping hoger: ijskoffie en een taartje. Na het eten gaan we even wat drinken bij een vriend van Dino. Op ons verzoek is de Kroatische specialiteit, honingrakia, ingekocht. We begeven ons naar het mooie communistische flatje van Matija. Matija glundert: hij is dol op Nederland. We hebben immers legale softdrugs. Hij vraagt of we wel eens Surinamers of Antillianen zien. Wij antwoorden dat dit wel eens voorgekomen is. Na een turbulente avond (één van de vier katten probeerde te ontsnappen via het raam, vier hoog) halen we Dino's vriendinnetje Nikolina op en gaan weer naar het huisje op de heuvel. Het uitzicht bij nacht is werkelijk betoverend: in een dal ligt de verlichte stad Zagreb. We zijn echter uitgeput en duiken ons bed in. Morgen wacht ons immer een Zagrebtour à la Dino.

Na de tour van de stad (en een emotioneel wederzien met de H&M, een keten die ik in Bulgarije, Macedonië, Albanië, Montenegro én Bosnië heb gemist) laat hij ons ook iets buiten Zagreb zien, een stadje bekend om de middeleeuwse huisjes, de promenade en -aldus Dino het belangrijkste- Kremšnit. Dino bestelt drie Kremsnitten en een stukje sachertorte. Want die is hier echt heel lekker. Nadat we ons te goed hebben gedaan aan de taart maakt hij een universeel handgebaar: nog een rondje. “Ik heb er nog drie besteld!” ja, natuurlijk vriend. Niet veel later zet het kremšnitvrouwtje inderdaad nog drie kremšnitten voor ons neer. We kijken hem verbijsterd aan. Dino begint zelfverzekerd te eten.

Na een heerlijk zelfgemaakt maal (natuurlijk door Dino's moeder, want Dino kookt niet) gaan we Zagreb in. We belanden in een brouwerij. Nu was dit iets wat ik kende van Sofia: enorme hoeveelheden bier voor een zacht prijsje. We gaan voor een soort met een 'caramel-achtige' afdronk. We zijn hard bezig de halve liter weg te tanken, tot het gebaar weer tevoorschijn komt: hoewel we amper de helft ophebben, komt er nog een tweede halve liter op tafel. 'De Heks' wordt het genoemd. Het sterkste én lekkerste bier van Zagreb. We wagen een poging, maar tegen sluitingstijd is nog lang niet alles op. We slingeren we weer naar buiten, de auto in.

Op zondag hebben we tijd alleen, want tussen alle bedrijven door moet Dino ook nog een tentamen leren voor maandag. We besluiten het museum van moderne kunst aan te doen. Een verhitte discussie laaide de avond ervoor al op. Iedereen was het ermee eens dat we erheen moesten, de reden was alleen nog niet unaniem besloten. Terwijl Nikolina blij was eindelijk mensen tegen te komen die wat om kunst gaven, waren Dino en zijn vriend Ivor lyrisch over het grootste kunstwerk van allemaal. De glijbaan van de bovenste verdieping naar beneden. We hebben de glijbaan geprobeerd, en Marlous kon bijna afgevoerd worden. Betraand van vreugde kwam ze de buis uitgegleden, en praten was nog lang onmogelijk.

's Avonds moest Dino werken in Mocvara, de club waar we elkaar twee jaar eerder ontmoet hebben. Vandaag was er echter geen dansavond, maar Japanse punk-rock. Hij is degene die de club moet openen, dus vanaf zeven uur zitten we verplicht tijd te doden op een bankje. Hij zoekt wat kussens bij elkaar en we doen een poging een tukje te doen: geheel onmogelijk gemaakt door de soundcheck van de Kroatische rockabillyband. Terwijl wij liggen te soezen hurkt een man naast ons neer en begint te brabbelen. Hoewel meestal “I'm Sorry?” er wel voor zorgt dat ze doorhebben dat ik de taal niet spreek, was dit niet het geval. Weer Kroatisch geratel. “Eh, sorry, maar, ik spreek geen Kroatisch” “Ah. Jullie moeten een kaartje kopen. Twintig euro.” we kijken elkaar verstoord aan, gelukkig roept iemand anders dat we bij 'die Duspara' horen. De man zegt niks meer en loopt weg. Daarna is alles geregeld.

Je krijgt zoveel je wil. Er wordt alleen niet gemixt!” was zijn motto. Maar hij wou ons liever àlles laten proeven. Terwijl GuitarWolf de Japanse punkrock ter gehore bracht, ontstond er op de bar een bonte collectie van drankjes in alle formaten en kleuren. De Japanse punkrock kon ik steeds meer waarderen. “Goh, ben je hier voor de bar of voor de band?!” vraagt een man me ontdaan. Ik antwoord dat ik er meer voor de barmàn ben. Hij wenst me succes, blijkbaar is Dino gewild. Als alles is schoongemaakt en afgesloten, worden we weer naar ons hutje op de berg gebracht. Het was een jolige boel. Wij duiken ons bed in, en Dino de boeken. Om vijf uur wordt er op onze deur geklopt. Dino is kapot, duwt me opzij en valt inslaap. Daar liggen we dan met z'n drieën. De ochtend erna gaat het niet van harte. We pakken onze tas in en vertrekken naar de trein. File, daar hadden we echter niet op gerekend. De trein missen we. We kopen ontbijt en gaan in een park liggen, terwijl Dino een examen maakt.

woensdag 29 juni 2011

wine... cheese...

Eenmaal aangekomen in Sarajevo, kon ik natuurlijk niet meteen mijn bed in. Inchecken kon pas vanaf één uur. Ik zoek dus de bank op en slaap nog een uurtje verder, tot de rest van het hostel ontwaakt en het een beetje asociaal wordt, hoe ik erbij lig. Dan moet ik er maar aan geloven en loop ik, slaapdronken, de stad in. Ik spendeer twee uur op het terras van een Sarajevoosch koffiehuis en ga weer terug naar het hostel. Eens kijken of ik kan douchen, want dat is al een kleine twee dagen niet gebeurd. Ik heb immers alleen in de bus gezeten. Tot mijn grote teleurstelling schijnt dit niet te kunnen. Ik ben te moe voor discussie en ga weer op de bank liggen.

Als dan toch eindelijk het uur is aangebroken dat ik mijn kamer in kan, ben ik de eerste aan de balie. Ik gooi mijn tas neer en ga in bed liggen. Na twee dagen met weinig slaap, vijf verschillende bussen en vier landen ben ik eindelijk op de plaats van bestemming. Slaap. Mijn lichaam is op, hoewel je misschien niets doet tijdens het reizen, vergt het toch enorm veel energie. Helaas komt dan Dave binnen, iemand die hetzelfde lot als mijn beschoren was: hij kwam met de nachtbus uit Kroatië. Hij is ook moe. Maar wil toch eerst nog even een kwartiertje kletsen, voor hij zijn bed in duikt. Met moeite geef ik antwoord op de standaard vragen. Wie ik ben, waar ik vandaan kom, waarom ik hier ben en waar ik allemaal al ben geweest. Dan sluit ik mijn ogen, om vier uur later weer wakker te worden.

Als ik de stad nog een keertje bekeken heb, is het voor mij tijd om de bank weer op te zoeken, dit zou namelijk mijn luierdag zijn. Ik duik mijn boek in en sluit me af van elke vorm van communicatie. Helaas word ik in de smiezen gehouden door de jongen tegenover me, ook hij wil graag weten wie ik ben, waar ik vandaan kom en waar ik allemaal geweest ben. Ik ratel het standaard verhaaltje af. Gelukkig is hij hartstikke aardig, en hebben we zowaar een leuk gesprek. Om tien uur zit ik echter te knikkebollen op de bank, dus ik zoek mijn bedje op. Dat heeft nog nooit zo goed gevoeld, tien uur later word ik fris wakker.

Ik stond op en ging naar beneden. Daar stond ontbijt. Goh, ik dacht dat ze geen ontbijt hadden! Ik begin aan een schaaltje cornflakes tot ik door de hostelbaas word aangesproken. Het ontbijt was alleen voor de 'Balkan RoadTrip' gasten. Niet voor mij dus. Ik was nog niet wakker. Schuldbewust eet ik mijn cornflakes op en maak nog een rondje stad: met het echte sightseeën wacht ik nog even tot Marlous er is. Op weg naar het vliegveld dan maar.

Eerst nog even langs te tourist information om te vragen of er een bus naar het vliegveld gaat. Nee, die gaat niet. Het is wel te lopen vanaf de eindhalte van het busstation, dus dat doen we dan maar. Als ik de bus uitkom na een minuut of veertig, weet ik niet meer welke kant ik uit moet. Ik spreek een voorbijganger aan. Ze spreekt geen Engels, maar ik wijs een punt aan op de kaart. “Ah, Aerodrom”! Gelukkig weet ze waar ik het over heb, en begint druk Bosnisch te praten en te gebaren. Blijkbaar moet ik eerst heel lang rechtdoor, en vervolgens naar links. Ik volg de beschrijving op (denk ik) en raak een beetje verdwaald. Overal om me heen zijn flats, volgens mij kan hier onmogelijk een vliegveld in de buurt zijn.

Toch, na nog twintig minuutjes ronddolen in de Nieuwe Stad (communistische flats), vind ik het vliegveld. Het is miniem. Om binnen te komen moet ik door de security check. Het poortje begint te piepen, maar de man gebaart dat ik mag doorlopen. Als de vlucht (bijna anderhalf uur vertraagd) is geland, gaan we terug naar de stad. Er kan weer uitgebreid Nederlands gebabbeld worden!

Na een fenomenale maaltijd in oosterse sferen gaan we weer terug naar het hostel. Want het is “Wine and Cheesenight”. Als we binnenstappen klinkt het alsof er een wild feest aan de gang is in de gemeenschappelijke ruimte. De hostelbaas komt de gang en roept haast verontwaardigd “where have you been??!! There's wine waiting! And cheese waiting! And boys waiting!”. We begeven ons dus snel richting de wijn, kaas en jongens. Dave, mijn oude kamergenoot, heeft de tijd van zijn leven. Op de vraag of hij het leuk vind bij de wijn en de kaas besluit hij: de wijn vind hij toch leuker dan de kaas. Dat is te merken. Hij zweert dat dit zijn laatste glas is en vat alles wat er gebeurt samen, een brij van gemompel herrijst uit het hoopje kussens waar hij het zich gemakkelijk heeft gemaakt: wine... cheese... cards... remix... Zijn ogen staan lodderig, maar hij glimlacht: intens geluk.

zondag 26 juni 2011

mirupafshim, Shqipëria

Hier zit ik dan, om zes uur 's ochtends op een van de troosteloze 'busstations' van Tirana. De reis van Saranda naar Tirana was er weer een om niet te vergeten: er waren aanzienlijk meer mensen dan busplaatsen, en de kaartjesverkoper had een dusdanig goed hart dat hij toch iedereen meenam (of hij wilde wat bijverdienen). Met als gevolg dat het gangpad ook helemaal volstond. Dit was op zich zo erg nog niet, tot mijn schuinachterbuurman zich niet zo lekker voelde, en zijn maaltijd binnen no-time half verteerd op het gangpad naast me lag. OK, we hadden één uur gehad, ik moest er nog acht.

Uiteindelijk viel het wel mee. Er kwam een dweil tevoorschijn en mensen verlieten de bus. Na vier uur was het dus allemaal wel weer te doen. Voordeel was ook dat ik zo gesloopt was dat ik vrijwel de hele reis in coma heb gelegen, kotslucht of geen kotslucht. Als ik wakker word rijden we alweer door Blloku, de hippe wijk van Tirana. De bus stopt, en geeft aan dat dit het laatste station is. De drie overgebleven passagiers (ik en twee Zweedse backpackers) moeten allemaal naar het treinstation. Of althans, die richting op. De buschauffeur kijkt een beetje verward, hij weet namelijk net zo goed als ik dat het treinstation nog een tijdje lopen is. Eerst wordt er koffie gedronken en vervolgens worden we dichter bij het station afgezet. De tocht naar Shkodra wordt vervolgd.

De eerstvolgende bus naar Shkodra gaat pas een uur later. Ik duik dus een café naast het station in en vraag of ze ook ontbijt hebben. Geen ontbijt, wel meer koffie. Met een schaaltje koekjes, om de buik te vullen: een typisch voorbeeld van de Albanese gastvrijheid. Ze doen alles om het je naar de zin te maken. Dus met een cappuccino (met slagroom) en koekjes probeer ik het uur door te brengen. Naast mij zit een duidelijk beschonken man aan de espresso. Hij schreeuwt constant wat tegen mij, in een soort Engels waar ik niks van kan opmaken. De cafébaas probeert hem tot bedaren te brengen, dit werkt maar tijdelijk. Als het drankorgel daarna weer een keel opzet, komt er een figuur (waarmee je geen ruzie wilt) naar binnen en vertelt hem eens even goed de waarheid. Als dit niet helpt, pakt hij hem op en smijt hem op straat. De man blijft midden op straat liggen, duidelijk te beschonken om zich nog te bewegen. Ik bekijk het tafereel met grote ogen en verstop mezelf achter mijn cappuccinokopje. Als ik later naar de bus loop, ligt de man er nog steeds. Er wil een auto langs. Getoeter. Het figuur sleept de man aan zijn broekriem naar de zijkant van de weg om hem daar weer te laten liggen. Zo, dat is opgelost. Als ik de straat uitrijd, ligt hij er nog steeds.

In de bus naar Shkodra lig ik al snel weer te dommelen, hoewel er buiten van alles te zien is: we rijden namelijk Noord-Albanië binnen. Daar waar mensen vaak nog leven volgens de regels van het 'kanun', een Albanisch geschrift omtrent gedrag. Één van de dingen die wordt beschreven in dit canon is hoe je met een aangetaste eer moet afrekenen: er zal bloed vergoten moeten worden. Mede hierdoor komt het voor dat er in Noord-Albanië hele familie-takken zonder mannen zijn: want bloed wordt weer verrekend met meer bloed. Dit levert nog wel eens problemen op met het erven van het familiefortuin: meisjes kunnen niet erven, ze zijn déél van de erfenis ('property') van de familie. Gelukkig heeft het canon hier ook een oplossing voor, want anders zou er veel geld verloren kunnen gaan, zo zonder mannen. Meisjes kunnen 'man worden'. Niet in de zin dat wij het kennen, puur in de zin van Albaanse status. Bezworen maagd, noemen ze dat. Ook zie ik veel ezels met karren. Even begeef ik me in een andere tijd.

Eenmaal in Shkodra aangekomen ga ik op zoek naar het hotel waar Takuya ook zit, want hij betaalt zes euro per nacht. Hij waarschuwde me alvast: er was bijna niks en ze spraken geen Engels. Ik vind het verrassend makkelijk en bel aan. De vrouw des huizes kijkt haast geërgerd dat ik in haar hotel wil blijven slapen. Een kamer kost twaalf euro. Het dubbele waar ik op rekende, maar nog steeds spotgoedkoop. Met handen en voeten waag ik een poging te vragen of ze ook een kamer voor zes euro hebben, dit heb ik namelijk vernomen van een vriend. “No. Twelve” is het stugge antwoord. Uiteindelijk betaal ik omgerekend dertien vijftig, maar hier kwam ik pas achter nadat ik al lang en breed betaald had. Laat maar, niet klagen, gewoon genieten.

Ik heb wel een ruime tweepersoonskamer met een heerlijk nostalgische comunistische feeling. Ik ben tevreden, drop mijn spullen en loop het centrum in. Op naar de tourist information om eens te achterhalen wat het slimste is om vanaf hier naar Sarajevo te komen. Ik word aangesproken door een taxichauffeur, of ik soms hulp nodig heb. Ik heb van alles gelezen over hoe taxichauffeurs niet echt gewillig zijn in het doorverwijzen naar de Albaanse VVV, ze hebben liever dat je gewoon met hun taxi ergens heengaat. Toch vraag ik het maar.

“De tourist information, dat ben ik, wandelend! Ik doe dit werk al twintig jaar!” oh, ok. Ik vraag door naar de 'furgons' die tussen Shkodra en Ulcinj pendelen, en hoe ik door kan reizen naar Sarajevo. De minibusjes zijn er, rond negen en vier uur. Maar ja, die van negen uur had ik natuurlijk al gemist, maar als ik bij hem zou instappen haalde ik nog mooi de bus naar Sarajevo van één uur. Dat zou me bijna niks kosten volgens hem. Veertig euro, een topprijs! Ik bedank hem vriendelijk en loop door naar de tourist information, die dit verhaal bevestigen. Gelukkig wil ik pas morgen of overmorgen reizen, dus dan pak ik gewoon de bus van negen uur.

Ik denk dat ik morgen reis. Ik ben een beetje verliefd geworden op Albanië, maar Shkodra is voornamelijk een troosteloze grensplaats, de enige backpackers die er komen zijn op doorreis naar Montenegro. Ik wil mijn geweldige ervaringen uit Saranda niet bevuilen met tijd die ik dolend door deze stad doorbreng. Hoe spijtig het ook is, voor mij is het nu tijd om mijn geliefde Albanië achter me te laten en op weg te gaan naar het eerste wat me met thuis verbind: een reisgenote. Misschien dat dat het eerste is wat me er aan doet herinneren dat ik op een zeker punt weer naar huis moet, dit is niet voor eeuwig. Jammer genoeg (ofschoon ik dolblij ben weer een bekende te zien). Maar met een beetje mazzel zit ik volgend jaar drie maanden lang in Saranda.

's Avonds ga ik uit eten met Takuya, die in de tijd dat ik in Saranda gezeten heb half Albanië is door geweest. Geweldige verhalen, met zo iemand raak je nooit uitgepraat. In de horeca-straat van Shkodra beproeven we ons geluk om een eettentje te vinden, maar de keuken is vaak al gesloten, of gaat überhaupt niet open. Na wat vragen verwijst een bakker ons door naar een pizzeria. We schuiven aan, maken onze keuzes en bestellen. Of, dat wil zeggen, Takuya gaat naar binnen en bestelt. Hij komt terug met een deprimerende boodschap: er is geen pizza, en geen wijn. Huilen geblazen. Ik ga uiteindelijk voor saaie spaghetti-met-tomatensaus, ik verdenk ze er echter van gewoon wat ketchup door de spaghetti te hebben gemixt. Maar ja, het was één euro, dus ik klaag niet. Erna gaan we aan het bier, want het gebrek aan wijn is een echt gemis.

Hij gaat voor een literglas, ik voor een meer bescheiden flesje Beck's. Binnen wordt er gezongen. Niet erg goed, dus of er gewoon live-muziek of karaoke gaande is, is nog even onduidelijk. Takuya vindt het allemaal prachtig, want karaoke is natuurlijk heel Japans. Maar hij verteld de Westerse manier van karaoke véél leuker te vinden: gewoon aangeschoten met ze allen meezingen, minder gedisciplineerd als de Japanners gewend zijn. Ik vertel hem over de ene keer dat ik Bohemian Rhapsody heb gedaan. De aanfluiting die het was, maar het maakt niks uit. Ik heb in ieder geval een sterk verhaal. Afgepeigerd zoeken we het hotel weer op. Nu weet ik waarom zijn kamer zoveel goedkoper was: hij deelde zijn kamer met een Albaanse professor. Maar dat zal ik wel niet kunnen doen, ik ben immers een meisje. En die hebben in het traditionele Albanese niet veel te zeggen.

*****

Een dag later verlaat ik Shkodra voor mijn reis naar Bosnië. De lokale VVV vertelde me dat ik om één uur een bus naar Sarajevo vanuit Montenegro zou kunnen pakken, mooi te doen dus. Ik stap in de minibus naar Montenegro, en anderhalf uur later kom ik daar aan. Ik loop naar de balie en vraag naar de bus richting Bosnië. “Oh, die was gisteravond. Misschien is er morgen weer eentje. Ik zou echter de hoofdstad proberen. Meer kans”. Dat was dus een makkelijke beslissing: op naar Podgorica. In de rij voor de buskaartjes word ik door een van de informatieverleners verenigd met een andere Nederlander op weg naar Podgorica: een Nederlans meisje dat Albanees aan het leren was in Kosovo, en nu door de Westerlijke Balkan reist. De bus gaat pas over anderhalf uur, dus er is genoeg tijd om te kletsen. Dat gebeurt ook, de anderhalf uur durende busreis ook, tot ongenoegen van de oranje getinte (met geel haar) Albaanse Schone die ons vriendelijk verzoekt iets minder luid te praten. We zijn ontdaan, het is immers midden op de dag en de verschrikkelijke Servische popmuziek op de radio kan wel zonder enig commentaar door de bus schallen. Toch maar een toontje lager zingen, dan.

Eenmaal aangekomen in Podgorica (13.45) blijkt dat de bus naar Sarajevo net tien minuten weg is, de volgende is een nachtbus. Hoewel ik hoopte mijn laatste nachtbus al gehad te hebben, moet ik er maar weer aan geloven. Ik koop een kaartje, geef mijn bagage af bij de 'luggage storage'. Ik heb tien uur over, en bevind me in een hoofdstad, dus er moet genoeg te doen zijn. Ik heb verhalen gehoord over Podgorica, de algemene mening was dat heet beter overgeslagen kon worden. Aan de kust is meer te doen. Ik blijf positief. Helaas is het zondag.

Met mijn verse vriendin ga ik naar haar hostel, we kennen beide de straat niet, dus we vragen de taxichauffeurs hoe we er komen. “Ah, hostel! My friend has a nice one. Twenty-five euros a night”. Ja, dat willen we niet. We willen weten waar het reeds geboekte hostel is. Na een kwartier lang discussiëren (we willen écht niet naar het hostel van je vriend, vriend) zegt hij dat hij ons wel kan brengen, voor drie euro. 1,50 de man klinkt redelijk, dus we stappen in. De taxi keert, rijdt tweehonderd meter en zet ons af. “Nou, hier is het!” Oh, mooi. Dat was dus best te lopen. Maarja, dat mag de pret niet drukken. Ze checkt in, laat zich een restaurant aanbevelen en we gaan op ontdekkingsreis. Podgorica is een beetje niks. Het is natuurlijk ook pas sinds kort een hoofdstad, dus veel meer dan een middelgrote balkanstad is het niet. We eten fantastisch en gaan verder al terrasjeshoppend door de stad. Niet veel te zien, maar deze stad kan ik ook weer afstrepen. Score.

De stad is niet groot, dus bij wijze van stadswandeling lopen we langs het spoor richting de bergen. Een vrij enthousiaste poging, in een grote boog lopen we door de suburbs van de stad. Drie uur later zijn we weer enigszins in het centrum. Op naar het hostel. Wat volgt is een goede sessie pre-nachtbus bankhangen en de grande finale van de Balkan Big Brother en de onvermijdelijke conclusie: humor is een ontbrekende factor op tv in deze gebieden. En alle presentatrices hebben hoogblond haar.

Nu zit ik wederom op een busstation dit af te schrijven. Een ander busstation, in een ander land. Het is inmiddels een dag later, tien uur 's avonds. Vanavond vertrek ik naar Bosnië, voor vier nachten. Eindelijk kan ik weer even stoppen en genieten van de omgeving. Maar eerst nog een nachtbus.

donderdag 23 juni 2011

saranda, laatste deel




Het was een tijdje stil rondom mijn bezigheden. Morgen is mijn laatste dag in Saranda. Hoewel ik de eerste twee à drie dagen mijn twijfels had of ik me zo lang zou kunnen vermaken in de Albaanse badplaats, is dit geheel omgeslagen. Tomi is niet naar Tirana gegaan, maar liet me wel meer zelf mijn werk doen. 's Ochtends sta ik op om eerst ontbijt te maken en wat schoon te maken, om vervolgens medebackpackers in te checken of het beste van Saranda te laten zien. Helemaal geen onplezierige bezigheden. Vanaf een uur of twaalf is de dag van mij.

Dus heb ik de tijd gehad om ook alle sightseeing te doen. Ik ben naar de eilanden van Ksamil geweest. Naar het 'Butrint National Park'. Vooral dat was top: helemaal vol met ruïnes uit zowel Romeinse en Griekse tijd. En omdat je nog steeds in Albanië bent: je bent vrij om er te doen wat je wil. Ik spotte een wildplasser in het nationaal park (gezien de staat van de WC niet geheel onbegrijpelijk), maar het mooiste was dat je overal gewoon lekker aan kon zitten. Je kon door de oude kerk lopen (of wat ervan over was), onder poorten door en over oude theaters. Ik heb me er zeer vermaakt.



Ook de gasten in het hostel werden leuker. Was er eerst alleen een vrij gesloten koppel, nu waren er wat Eenzame Reizigers, net als ik. Dus weer gelegenheid om dingen samen te ondernemen. Saranda heeft wellicht niet zo veel te bieden, maar dat is ook het charme. De enige agenten die ik zie, zijn agenten die koffie zitten te drinken op een terras. Dat symboliseert wel een beetje hoe mensen hier hun leventje leiden. Een beetje slenteren over de promenade, een beetje zwemmen, 's avonds een glas Albanese wijn die nog het meest naar gemaskeerde Raki smaakt, ik leef hier goed.

Maar morgenavond is het echt tijd om mijn biezen te pakken en weer richting hoofdstad te trekken, met als doel vooralsnog Shkodra, een stadje aan een meer, op de grens met Montenegro. De komende dagen ben ik vooral weer op reis. Misschien gebeuren er dan weer allerlei grappige zaken waarover ik kan schrijven. Want hier is mijn leven vrij saai, maar wel verrukkelijk. Zelfs in de zomer zijn alle toeristen tachtig procent Albanees. Buiten wat backpackers heeft de Westerse Wereld dit plaatsje nog niet ontdekt. Wat natuurlijk voor mij prachtig is, maar voor alle mensen die het hier zo arm hebben iets minder. Ook heb ik een lokale vriend gemaakt, dus buiten de backpackers om ga ik ook nog wel eens ijsjes eten met een jongen die hier een zomerbaantje heeft.

Ik loop nog een keer over de promenade, haal een yoghurtijsje en kijk vanaf een bankje naar Corfu. Het Griekse eiland. Ik heb nul zin om weg te gaan, maar wel al een uitnodiging om komende zomer voor drie maanden te komen. Saranda, I will be back!